Aandoeningen

Wij willen u als patiënt zoveel mogelijk informeren daarom hebben wij een lijst samengesteld van de meest voorkomende aandoeningen en trauma’s. Voor elke aandoening of trauma is er een behandelplan die de therapeut als richtlijn gebruikt voor uw behandeling. Uiteraard is elke persoon anders en kan de behandeling afwijken naargelang de specifieke situatie.

Belangrijk is dat u eerst uw arts raadpleegt. Wij mogen geen diagnose stellen. Hij/zij kan bekijken of een doorverwijzing noodzakelijk is.

Buigpeesletsel

Buigpeesletsel
Door elke vinger lopen aan de kant van de handpalm twee buigpezen; een oppervlakkige en een diepe buigpees. Beide pezen worden omgeven door een peeskoker. Om de vinger goed te kunnen buigen is het belangrijk dat de pezen ten opzichte van elkaar verschuiven en dat ze door de peeskoker kunnen glijden.
Na een verwonding of na een operatie is dat mechanisme van bewegen en van glijden aangetast. Wanneer de pezen zijn doorgesneden moeten ze, het liefst binnen 72 uur, door de plastisch chirurg weer aan elkaar worden gezet. Wordt peesletsel te laat ontdekt, dan is de pees al te veel teruggetrokken om nog te kunnen hechten. Er moet dan een peesreconstructie plaatsvinden.

Handtherapie
Na een verwonding of operatie kunnen er verklevingen tussen de pezen onderling of tussen pezen en de peeskoker ontstaan. Deze verklevingen kunnen het verschuiven en het bewegen van de pezen tegen houden, waardoor de vinger niet meer volledig kan buigen of strekken. Daarom is het belangrijk om meteen en op een verantwoorde manier met uw vinger te gaan oefenen onder begeleiding van een handtherapeut!

Carpaal Tunnel Syndroom

Carpaal Tunnel Syndroom
Het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) ontstaat door beknelling van een belangrijke zenuw in de pols, de nervus medianus of middenhandszenuw. De zenuw loopt door een tunnel die aan de bovenzijde wordt afgesloten door de dwarse polsband. Wanneer het bindweefsel in de tunnel gaat zwellen, raakt de zenuw bekneld.

Het dragen van een polsbrace (spalk) gedurende de nacht heeft vaak een gunstig effect op de symptomen. Een injectie met corticosteroïden kan een vroege CTS genezen.

Het kan zinvol zijn handtherapie te volgen. De behandeling bestaat over het algemeen uit het aanleren van een goede polshouding en een juist gebruik van de hand tijdens uw dagelijkse activiteiten, werk en sport. Daarnaast volgt u een spierversterkend en stabiliserend polsprogramma.

Als de klachten niet verminderen door bovenstaande behandelingen of langer dan drie maanden bestaan, kunt u geopereerd worden (Carpaal Tunnel Release).

Handtherapie na een Carpaal Tunnel Release (CTR)
De handtherapeutische behandeling is over het algemeen kort. De handtherapeut helpt u met het weer soepel maken van de pols en vingers, het soepel maken van het litteken en het opbouwen van kracht, waardoor u weer zo optimaal mogelijk kunt functioneren.

Carpal boss

Carpal boss
Carpal boss is een aandoening waarbij er aan de bovenzijde van de pols extra bot is gegroeid. Therapie met behulp van rust, een brace en/of ontstekingsremmers kan een goed resultaat geven. Als dit niet helpt en de klachten zodanig zijn dat ze het normale dagelijks leven in de weg staan, kan een operatie uitkomst bieden.

Tijdens een operatie (wigexcisie) wordt al het extra botweefsel aan weerszijden van het gewricht verwijderd, tot er alleen gezond bot en kraakbeen zichtbaar is. Bij sommige patiënten blijven ondanks deze operatie de klachten bestaan. Bij deze groep kan het 2e en/of 3e gewricht tussen de handwortelbeentjes en de middenhandsbeentjes worden vastgezet.

Handtherapie
De handtherapeut zal eerst bekijken of een brace de pols voldoende rust geeft om de klachten te verminderen.

Na een wigexcisie krijgt u twee weken een gips dat de vingers en duim vrij laat, na het vastzetten van een gewrichtje krijgt u vier weken gips. Hierna start de handtherapie.

De handtherapie is gericht op het zoveel mogelijk voorkomen van verklevingen van strekpezen in het operatiegebied, het soepel maken van de pols, vingers en het litteken en het opbouwen van kracht. Het streven hierbij is om weer zo optimaal mogelijk te functioneren.

Cubital Tunnel Syndroom

Cubital Tunnel Syndroom
We kennen allemaal het gevoel van het ‘telefoonbotje’, wanneer we de elleboog stoten. Dit gevoel ontstaat doordat de ulnaris zenuw wordt geraakt. Het geeft een korte maar felle pijnscheut die uitstraalt tot in de hand. Deze zenuw ligt hier heel oppervlakkig en spant op over het uitstekende bot van de bovenarm wanneer u de elleboog buigt. Op precies deze plek kan de ulnaris zenuw ook beklemd raken. We noemen dat het Cubital Tunnel Syndroom.

De handtherapeut zal u uitleggen hoe u druk van buitenaf zoveel mogelijk kunt voorkomen. Verder kunnen ontstekingsremmende medicijnen (NSAID’s) en een spalk worden voorgeschreven. Wanneer bovenstaande niet helpt, kan er geopereerd worden. Daarbij worden alle mogelijke punten van beklemming van de zenuw weggehaald (decompressie). Soms is het nodig om het uitstekende botje aan de binnenkant van de elleboog te verwijderen.

Handtherapie
In het algemeen moet u de elleboog één tot drie weken onbelast oefenen. Daarna wordt de belasting geleidelijk opgevoerd.

Het is belangrijk dat de zenuw na de operatie niet verkleefd raakt in het operatiegebied. De handtherapeut helpt u daarbij. Verder oefent de handtherapeut met u om de elleboog en het litteken weer soepel te krijgen en mag u naar verloop van tijd weer oefeningen doen om de arm en hand te versterken.

Wanneer het uitstekende botje bij de elleboog is verwijderd, duurt het iets langer voor de kracht kan worden opgebouwd. Meestal beginnen we dan vier tot zes weken na de operatie met het opbouwen van de kracht.

Draag liever geen mitella of leun niet langdurig op gebogen ellebogen.

De Quervain

De Quervain
De aandoening van De Quervain is een ontsteking van de pezen en/of de peesschede aan de duimzijde van de pols. Aan het einde van het spaakbeen aan de duimzijde lopen de pezen door een nauwe tunnel (peesschede). De binnenbekleding van de tunnel bestaat uit een slijmvlieslaag. De pezen van de duim glijden normaal soepel langs deze laag door de peesschede, maar wanneer de slijmvlieslaag ontstoken is lukt dat niet meer.

In het begin is er pijn aan de duimzijde van de onderarm. Wordt u niet behandeld, dan kan de pijn zich uitbreiden naar de duim en de bovenzijde van de onderarm.
Als u kracht zet met uw hand kunnen de pezen kraken. In ernstige gevallen ontstaat er zwelling rond het gebied van de peesschede. Voorwerpen tillen, vasthouden en het bewegen van de duim wordt dan steeds moeilijker en pijnlijker.

De Quervain kan zowel conservatief (zonder operatie) als chirurgisch behandeld worden.

Handtherapie
Soms wordt door de verwijzend arts een injectie met een ontstekingsremmend medicijn in de peesschede gespoten, maar dat is niet altijd noodzakelijk. Het aanmeten van een spalk door de orthopedisch technieker kan de geïrriteerde pezen rust geven, waardoor de ontstekingsreactie afneemt. De kinesitherapeutische behandeling bestaat over het algemeen uit het aanleren van een goede polshouding en een juist gebruik van de hand tijdens uw dagelijkse activiteiten, werk en sport. Ook kan de kinesitherapeut gebruik maken van massage (fricties) of andere lokale behandelingen zoals ultrageluid. Daarnaast volgt u een spierversterkend en stabiliserend polsprogramma. Verder kan de therapeut u leren hoe u de bewegingen en activiteiten die de pijn veroorzaken zoveel mogelijk kunt vermijden.

Het is belangrijk om de belasting van de geïrriteerde pezen langzaam op te bouwen en niet te hard van stapel te lopen. De therapeut kan u houdings- en tiladviezen geven om terugkeer van klachten te voorkomen. Hij kan ook bekijken hoe u bijvoorbeeld uw werkplek kunt aanpassen. Neem bijvoorbeeld vaker pauze bij herhaalde handelingen en werken achter de computer en probeer onderhands te tillen.

Als bovenstaande aanpak niet helpt en de klachten langer dan drie maanden bestaan, kan een operatie worden overwogen. Na de operatie wordt er meteen gestart met handtherapie. U moet de pezen direct laten bewegen, ook al doet dit soms de eerste tijd pijn. Als u uw hand en duim namelijk stil houdt, treedt er littekenvorming op tussen de pezen en de peesschede waardoor de pezen verkleefd raken, u de duim later minder goed zult kunnen bewegen en de pijn mogelijk blijft bestaan. Intensieve littekenmassage is een essentieel onderdeel van de behandeling. De kinesitherapeut zal u verder uitleggen dat u tillen en herhaalde bewegingen drie tot vier weken moet vermijden. Daarna bouwt u onder leiding van de therapeut uw kracht weer op. Het kan soms wel een paar maanden duren voordat de pijn helemaal verdwijnt en de functie hersteld is.

Duimbasisinstabiliteit

Duimbasisinstabiliteit
Het basisgewricht van de duim is heel mobiel en dat maakt het mogelijk om de duim op veel verschillende manieren te bewegen. Het gewricht heeft een relatief slap gewrichtskapsel en bandapparaat en kan dus vrij makkelijk instabiel worden. Soms wordt de duim zo instabiel dat u dingen niet goed meer kunt vasthouden. Duimbasisinstabiliteit geeft een pijn die lijkt op die van duimartrose; de pijn zit onder aan de duimmuis.

Handtherapie zonder operatie
Het is belangrijk om specifieke spieren in de duimmuis te versterken om zodoende de duim beter te kunnen stabiliseren. De handtherapeut volgt met u zo’n spierversterkend en stabiliserend duimprogramma.

Het spalken of bracen van de duim kan een goede aanvulling zijn, bijvoorbeeld om de duim tijdelijk rust te geven of ter overbrugging naar een operatie. Het uitsluitend spalken of bracen van de duim is echter geen permanente oplossing; langdurig gebruik geeft spierzwakte en vervolgens meer instabiliteit.

Handherapie na een operatie
Er kunnen verschillende operatietechnieken worden toegepast. Bij een veel gebruikte operatietechniek wordt van een gedeelte van een buig- of de strekpees van de pols een nieuwe band gemaakt aan de duimbasis. Hiervoor wordt een gaatje door het eerste botje van de duim geboord. Vervolgens wordt de pees door het boorgat getrokken, vast gemaakt aan de strekpees en onder zichzelf door gevlochten. Zo ontstaat een nieuwe stevige band die het basisgewricht van de duim goed op zijn plaats houdt.

Na de operatie draagt u ongeveer twee tot vier weken een gipsspalk. Daarna krijgt u een afneembare spalk. U krijgt kinesitherapie om uw duim weer goed beweeglijk en krachtiger te maken en uw hand weer goed te leren gebruiken. Tot week zes mag de spalk alleen af voor het oefenen. Daarna draagt u de spalk alleen nog ter bescherming tot week twaalf. Bij sport en zwaar handwerk draagt u de spalk langer, soms tot wel een jaar na de operatie.

Duimbasisslijtage

Duimbasisslijtage
De duim is het meest gebruikte onderdeel van de hand. Duimbasisslijtage is daarom de meest voorkomende slijtage aan een gewricht in de hand. Als u pijn krijgt door slijtage, merkt u dat vaak bij iedere beweging. De duimbasis en de duimmuis kunnen pijnlijk worden, en de pijn wordt heviger wanneer u de duim intensief gebruikt. Ook kan er krachtverlies optreden, waardoor u dingen uit uw handen laat vallen. Duimbasisslijtage komt veel voor: ongeveer één op de drie vrouwen boven de 40 jaar heeft in het duimbasisgewricht afwijkingen op een röntgenfoto.

Handtherapie
Is er sprake van een milde slijtage, dan bestaat de behandeling uit rust, spalken, pijnstilling, eventueel ontstekingsremmende injecties en handtherapie. De kinesitherapeut kan het gewricht behandelen met mobilisaties en met u een programma volgen dat gericht is op het verbeteren van kracht van specifieke duimmuisspieren. Hierdoor wordt het gewricht beter gestabiliseerd tijdens dagelijkse activiteiten, werk en sport. De ergotherapeut brengt de belasting van de duim in kaart, adviseert u over een optimaal gebruik en kan aanpassingen maken om de duim met minder pijn te gebruiken.

Handtherapie na een operatie vanwege duimbasisslijtage
Is de bovengenoemde handtherapie niet voldoende, dan kunt u operatief geholpen worden. Het duimbasisgewricht kan dan vastgezet worden, of het trapeziumbotje wordt verwijderd waarna een nieuwe, stabiele ophanging van de duimbasis wordt gemaakt.

Bent u geopereerd, dan krijgt u gips. Na twee tot drie weken wordt het gips verwijderd en maakt de ergotherapeut een afneembare spalk die uw duim steunt en beschermt. Nadat de spalk gemaakt is, start u onder begeleiding van de kinesitherapeut met oefeningen. U begint met oefeningen die de duimgewrichtjes lenig en soepel maken, na zes tot acht weken gaat u ook oefeningen doen die uw duim en hand sterker maken. De spalk moet u tot acht weken na de operatie, buiten het oefenen om, steeds dragen. In deze periode is autorijden, om verzekerings-technische redenen, niet toegestaan.

Na deze acht weken wordt het dragen van de spalk afgebouwd en draagt u de spalk alleen nog wanneer u met de hand zwaardere dingen doet.

Het zwaar belasten van uw hand, bijvoorbeeld tijdens sportactiviteiten, mag u niet eerder doen dan na drie tot vier maanden na de operatie.

Na de operatie valt het resultaat in eerste instantie meestal tegen. Het kost veel tijd om weer op het oude niveau terug te komen en uiteindelijk beter dan voor de operatie te worden. Over het algemeen duurt dit ongeveer drie tot zes maanden. Ook de begeleiding door de handtherapeut neemt ongeveer drie tot zes maanden in beslag, afhankelijk van de vorderingen. De kracht neemt vervolgens nog meetbaar toe over een periode van vijf jaar na de operatie. Na het vastzetten van het duimbasisgewricht verloopt het herstel over het algemeen sneller.

Dystrofie

Dystrofie
Dystrofie kan ontstaan na een ongeval (het stoten van de hand, een polsbreuk), na een operatie, bij te strak gips of bij een zenuwbeklemming. Als hierna een reactie (pijn, zwelling, stijfheid) ontstaat die veel te heftig is en niet overeenkomt met de ernst van het letsel, en als deze situatie veel te lang blijft bestaan, kan er sprake zijn van dystrofie (PD, CRPS). Dystrofie kan de normale genezing en het functieherstel enorm belemmeren.

Dystrofie is een lastig probleem dat een intensieve behandeling vraagt en helaas niet altijd goed herstelt.

Handtherapie
In een team van handchirurgen en handtherapeuten worden de beste resultaten behaald. Het is belangrijk dat de pijn bestreden wordt, omdat pijn de dystrofie in stand kan houden. Ook is het belangrijk dat de eventuele onderliggende oorzaak, zoals bijvoorbeeld een zenuwbeklemming, behandeld wordt.

Intensieve handtherapie is absoluut onmisbaar om de hand in een zo goed mogelijke conditie te brengen. De kinesitherapeut behandelt de zwelling, probeert de gewrichten zo soepel mogelijk te maken of te houden, helpt de pezen goed te laten glijden en de kracht en vaardigheid in stand te houden of te verbeteren. Verder start u met de kinesitherapeut een spiegeltherapie programma (zie hieronder). Soms is het nodig dat de ergotherapeut spalken vervaardigd om de hand te ondersteunen of de beweeglijkheid van de vingers te verbeteren. Voor de re-integratie wordt u zo nodig doorverwezen naar een revalidatiearts.

De mate van herstel na een dystrofie varieert enorm. Dit is onder andere afhankelijk van het feit hoe snel en hoe agressief de behandeling wordt ingezet. De restverschijnselen bestaan uiteindelijk met name uit stijve gewrichten. Intensieve handtherapie kan deze restverschijnselen tot een minimum beperken, zelfs als u in een later stadium met de therapie begint.

Spiegeltherapie
Al in de eerste fase van uw herstel wordt door de kinesitherapeut begonnen met spiegeltherapie. Spiegeltherapie is het oefenen van de hand met behulp van een spiegel. Hierbij ligt de gezonde hand voor de spiegel en de aangedane hand erachter. U kijkt in de spiegel en ziet het spiegelbeeld van uw gezonde hand, alsof het uw aangedane hand is. Over de gezonde hand kan een afdakje gezet worden, zodat u deze niet kunt zien. Hierdoor ontstaat de illusie dat u de aangedane hand beweegt, zonder beperkingen of pijn. Door handelingen te verrichten met de gezonde hand, krijgen uw hersenen de indruk dat het de pijnlijke of slecht functionerende hand is die weer functioneert. Deze informatie leidt tot een aanpassing in de hersenen. Uw hersenen kunnen dus beïnvloed worden door het creëren van een visuele illusie met een spiegel. De eerste resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van spiegeltherapie zijn positief en bemoedigend.

Gebroken hand of vinger

Gebroken hand of vinger
Gebroken vingers of gebroken middenhandsbeentjes komen veel voor. Ongeveer 20% van alle bezoeken aan de Spoedeisende Hulp betreft letsels aan de hand of pols. Bij een gedeelte hiervan gaat het om breuken aan de hand, vinger, pols, ellepijp of spaakbeen. Wanneer u iets gebroken heeft merkt u dat aan zwelling, pijn, een vreemde vorm van (een van) uw vingers, het niet kunnen bewegen van uw vinger, een verkorte vinger, een ingedrukte knokkel of vingers die over elkaar schuiven wanneer u een grijpbeweging maakt.

Handtherapie
Een vinger moet bewegen. Zit een vinger langer dan twee weken in het gips, dan vergroeien de pezen met het bot of het gewrichtskapsel. Dit noemen we adhesies of verklevingen. Het is heel moeilijk om daarna een vinger of hand weer op gang te krijgen. Daarom moet een gebroken vinger of hand in veel gevallen zo snel mogelijk worden geopereerd. De uitkomst van de behandeling wordt bepaald door oefenen! Het is dus van groot belang dat u zo snel mogelijk na de operatie of na het verwijderen van het gips door een handtherapeut wordt begeleid. Door vroeg met oefenen te starten proberen we verklevingen zoveel mogelijk te voorkomen en de normale functie weer te verkrijgen. De kinesitherapeut helpt u bij het weer soepel maken van de vingers, hand of pols, behandelt eventueel aanwezige littekens en helpt u bij het opbouwen van uw kracht en vaardigheid. Vaak wordt een spalk op maat gemaakt om de hand (tijdelijk) te ondersteunen of te beschermen. In een later stadium kunnen spalken ook dienen om het terugwinnen van de beweeglijkheid te ondersteunen. Intensieve handtherapie na al dan niet complexe fracturen kan maanden in beslag nemen.

Gebroken pols

Gebroken pols
De pols wordt gevormd door de uiteinden van het spaakbeen (radius) en de ellepijp (ulna), samen met de handwortelbeentjes. Bij een gebroken pols gaat het in driekwart van de gevallen om een breuk van het spaakbeen en/of de ellepijp.

Afhankelijk van de breuk zijn er verschillende opties. In sommige gevallen wordt de pols opnieuw gezet, waarna een gipsspalk wordt aangebracht. Het gips moet vier tot vijf weken blijven zitten.

Soms is het nodig te opereren en de pols met pennetjes of platen en schroeven te herstellen. Het doel van deze operatie is om de pols oefenstabiel te maken, zodat u snel kunt starten met handtherapie.

Handtherapie
U hoort van uw chirurg of handtherapeut wanneer u mag starten met oefenen. De breuk moet immers voldoende vastgegroeid zijn of door een operatie voldoende gestabiliseerd zijn.

Onder leiding van onze ervaren kinesitherapeut oefent u om de vingers, hand en pols weer goed beweeglijk te maken, om verklevingen te voorkomen en eventuele littekens te versoepelen. In een later stadium, als de breuken voldoende zijn geheeld, wordt de kracht van de hand en pols weer opgebouwd. Samen met uw therapeut probeert u de functie optimaal te herstellen. Daarnaast zal de ergotherapeut in de meeste gevallen een afneembare spalk aanmeten om de pols tijdelijk te ondersteunen of te beschermen. Afhankelijk van de ernst van de breuk(en) kan de revalidatie wel zes tot twaalf maanden duren.

Gesloten buigpeesletsel

Gesloten buigpeesletsel
Soms scheurt een buigpees spontaan af. Meestal is dat de diepe buigpees van de ringvinger. Deze scheurt dan los van het bot, zonder dat er een open wond of trauma is. Soms scheurt ook een botfragment mee af.

Wanneer de diagnose snel gesteld wordt, kan de pees soms nog direct teruggeplaatst worden op het bot. Indien de pees te lang geleden (meer dan 72 uur) is afgescheurd, zijn er verschillende opties. De pees kan operatief worden verwijderd, de arts kan besluiten niets te doen of er kan een peesreconstructie verricht worden.

Handtherapie
Om te voorkomen dat er verklevingen tussen de buigpezen of tussen de buigpezen en de peeskoker ontstaan, is het belangrijk om meteen en op een verantwoorde manier met uw vinger te gaan oefenen onder begeleiding van een handtherapeut!

Handversmalling

Handversmalling
Na een amputatie van een vinger kan er om cosmetische of praktische redenen gekozen worden voor een handversmalling. Bij deze operatie wordt het gat gesloten wat in de hand ontstaat als er een vinger is geamputeerd. Naast het overduidelijke cosmetische aspect is het missen van een vinger onhandig omdat kleine voorwerpen zoals bijvoorbeeld wisselgeld tussen de overgebleven vingers door vallen. Een handversmalling is, als hij goed wordt uitgevoerd, nagenoeg onopvallend. Meestal kijkt men eroverheen en ziet men niet dat er een vinger ontbreekt.

Handtherapie
Er wordt zo snel mogelijk gestart met handtherapie om de functie te optimaliseren.

De therapie richt zich op het normaliseren van de beweeglijkheid van de vingers en de hand, het voorkomen van verklevingen van strekpezen in het operatiegebied, het versoepelen van het litteken en het optimaliseren van de kracht. De knijpkracht zal over het algemeen enigszins verminderd blijven na een handversmalling.

Soms klagen patiënten over het bestaan van fantoompijn. Over de oorzaak van fantoompijn is inmiddels duidelijk dat het hersengebied dat oorspronkelijk correspondeerde met het geamputeerde lichaamsdeel, nog actief is en chronisch of af en toe geactiveerd wordt. De hersenen interpreteren dit alsof het geamputeerde lichaamsdeel er nog is en pijn doet. Om dit fenomeen te bestrijden kan gebruik gemaakt worden van spiegeltherapie en sensorische re-educatie (training om het normale gevoel weer terug te krijgen). Dit zijn methodes om de overmatige reactie van de hersenen te verminderen.

Spiegeltherapie
Al in de eerste fase van uw herstel wordt door de kinesitherapeut begonnen met spiegeltherapie. Spiegeltherapie is het oefenen van de hand met behulp van een spiegel. Hierbij ligt de gezonde hand voor de spiegel en de aangedane hand erachter. U kijkt in de spiegel en ziet het spiegelbeeld van uw gezonde hand, alsof het uw aangedane hand is. Over de gezonde hand kan een afdakje gezet worden, zodat u deze niet kunt zien. Hierdoor ontstaat de illusie dat u de aangedane hand beweegt, zonder beperkingen of pijn. Door handelingen te verrichten met de gezonde hand, krijgen uw hersenen de indruk dat het de pijnlijke of slecht functionerende hand is die weer functioneert. Deze informatie leidt tot een aanpassing in de hersenen. Uw hersenen kunnen dus beïnvloed worden door het creëren van een visuele illusie met een spiegel. De eerste resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van spiegeltherapie zijn positief en bemoedigend.

LCTH-fusie

LCTH-fusie of Four Corner arthrodese
De pols wordt gevormd door acht handwortelbeentjes, die in twee rijen zijn gegroepeerd. De handwortelbeentjes zijn onderling verbonden door middel van gewrichtsbanden, die de gewrichten tussen de handwortelbeentjes verstevigen. Door een val of een ander ongeluk kunnen die banden verrekken of zelfs afscheuren (SL laesie). Ook kan een van de handwortelbeentjes breken. De botjes liggen dan niet meer mooi naast elkaar en op den duur kan dit slijtage in de pols veroorzaken.

Slijtage in de pols geeft pijnklachten, zwelling en een verminderde beweeglijkheid. Deze klachten kunnen u in uw dagelijks leven en tijdens uw werk beperken.

Wanneer een deel van het gewricht in de pols tussen het spaakbeen en het maanvormig botje nog goed is, kan de pols gedeeltelijk vastgezet worden. We verbinden dan vier botjes van de handwortel met behulp van een ronde plaat of met titanium nietjes of pennen, zodat deze botjes aan elkaar groeien. We noemen dit LCTH-fusie of Four Corner arthrodese. Op die manier wordt het versleten deel van de pols ontlast.

Handtherapie
Voor de operatie wordt de beweeglijkheid en kracht van uw pols gemeten, zodat we na de operatie goed weten waar we tijdens de revalidatie extra aandacht aan moeten schenken. Na een LCTH-fusie volgt een intensief traject van handtherapie.

Na de operatie zit uw pols in een gipsverband. U moet meteen beginnen met het bewegen van uw vingers. Het vocht (oedeem) dat na de operatie in de hand zit, wordt daardoor sneller afgevoerd. Bovendien blijven de pezen zo soepel door het operatiegebied glijden.

Na twee weken krijgt u een nieuw gips. Weer twee weken later krijgt een ondersteunende spalk die doorloopt tot aan de onderarm. De vingers en de duim worden vrijgelaten.

De eerste vier weken draagt u deze spalk continu, behalve tijdens het oefenen. Daarna wordt het dragen van de spalk afgebouwd en draagt u hem alleen nog bij activiteiten waarbij kracht nodig is. Dit houdt bijvoorbeeld in dat u de eerste zes tot acht weken, ook in verband met de verzekering, nog niet mag autorijden.

Vanaf het moment dat de spalk is gemaakt, wordt onder leiding van de kinesitherapeut gestart met oefenen. In eerste instantie gaan we samen oefeningen voor uw pols en vingers doen. In het begin zijn de oefeningen erop gericht om uw arm en hand voorzichtig opnieuw beweeglijk te maken. Na ongeveer zes weken zijn de botten goed aan elkaar gegroeid en kan begonnen worden met het intensief oefenen van de beweeglijkheid en van de kracht; eventueel met behulp van mobiliserende handgrepen. Ook worden er oefeningen gedaan om de kracht in uw pols en hand te vergroten. We gebruiken hiervoor een opbouwend spierversterkend en stabiliserend polsprogramma. Er wordt in het eerste stadium gebruikt gemaakt van bijvoorbeeld Theraputty, een elastisch kneedmateriaal, en van gewichten van verschillende zwaarte. In een later stadium doen we krachttraining voor de gehele arm waarbij ook fitnessapparatuur wordt ingezet.

De gehele revalidatie neemt gemiddeld zes maanden in beslag, gerekend vanaf de operatie. Na drie maanden is de pols meestal weer zo hersteld dat u uw werkzaamheden kunt hervatten. Dit hangt uiteraard ook af van het werk dat u doet.

Over het algemeen verliest u bij een LCTH-fusie ongeveer 50% van de normale beweeglijkheid en lukt het om 70% van de oorspronkelijke knijpkracht terug te oefenen. Omdat het niet meer volledig kunnen bewegen van de pols blijvende gevolgen heeft voor de handfunctie, oefent u met de therapeut ook uw dagelijkse functies. De therapeut kan samen met u bekijken of en waar aanpassingen nodig zijn.

De metingen die voor de operatie gedaan zijn, worden herhaald aan het begin, halverwege en op het eind van de therapie. Op deze manier krijgen we een goede indruk van uw herstel.

MCP-gewrichtsprothese

MCP-gewrichtsprothese
Het MCP-gewricht is het kogelgewricht aan de basis van de vingers; deze gewrichten vormen de knokkels van uw hand. Het MCP-gewricht kan slijten of beschadigen door artrose (ouderdomsslijtage), posttraumatische artritis (slijtage als gevolg van letsel waarbij kraakbeen niet goed genezen is), reumatoïde artritis (een ziekte die het kraakbeen beschadigt) of door een ongeval. Wanneer één of meerdere MCP-gewrichten niet meer functioneren, zal in eerste instantie bekeken worden of therapie en/of reconstructie van de gewrichtsbanden een oplossing kan bieden. Als dat niet het geval is, kan het gewricht vervangen worden door een prothese. Zo’n prothese herstelt de stabiliteit en de beweeglijkheid van het gewricht.

Handtherapie
Direct na de operatie krijgt u gips. Na enkele dagen wordt het gips verwijderd en zal een van onze ergotherapeuten een (oefen)spalk maken. Afhankelijk van de stevigheid van de gewrichtsbanden wordt gekozen voor een beschermende spalk of een spalk met een soort hangmatjes voor de vingers om de bandjes te ondersteunen. In ieder geval gaan onze kinesitherapeuten snel met u aan de slag om de functie zo goed mogelijk te krijgen. Door vroeg met oefenen te starten proberen we verklevingen van pezen en stijfheid van het geopereerde gewricht zoveel mogelijk te voorkomen. De kinesitherapeut helpt u bij het weer soepel maken van de vingers en de hand, behandelt de aanwezige zwelling en de littekens en helpt u bij het opbouwen van uw kracht en vaardigheid.

Hoeveel van de beweeglijkheid er na de operatie terugkomt, is ook afhankelijk van de stijfheid van het gewricht vóór de operatie.

Mallet finger

Mallet finger
Een mallet finger ontstaat doordat u de gestrekte vinger stoot. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren bij het opmaken van een bed of wanneer er bij het sporten een bal op het gestrekte topje van de vinger terecht komt. Door dit ongeluk scheurt de strekpees los van de aanhechting aan het bot van het laatste vingerkootje. Soms scheurt er ook een kleiner of groter botstukje van dit kootje los. In beide gevallen is het gevolg hetzelfde: het eindkootje van de vinger gaat afhangen en kan niet meer gestrekt worden. De vinger lijkt dan op een hamertje (in het Engels ‘mallet’).

In de meeste gevallen wordt een mallet finger behandeld met een spalk die de vingertop in een licht overstrekte stand houdt. Op die manier kunnen de peesuiteinden weer aan elkaar groeien. Heel belangrijk: deze spalk moet gedurende zes tot acht weken blijven zitten zonder dat het topje ook maar één keer buigt!

Handtherapie
Tijdens het herstel mag het vingertopje niet buigen. U moet uw vinger dan ook heel voorzichtig schoonmaken. De handtherapeut zal u uitleggen hoe u dit op een veilige manier kunt doen. Overigens: het middengewricht (PIP) mag wel buigen als u de spalk om hebt.

Na zes tot acht weken mag u voorzichtig beginnen met het bewegen van uw vingertop. Gedurende de eerste twee weken na de spalkperiode mag u drie tot vijf keer per dag de spalk afdoen om te oefenen. De oefeningen bestaan uit het actief strekken van uw vinger, u krijgt hier een hulpmiddeltje voor. Tussen het oefenen door moet de spalk gewoon weer aan.
Na deze periode mag het spalkje langzaam afgebouwd worden. De oefeningen worden stapsgewijs geïntensiveerd. Wij raden aan om tot twaalf weken na het begin van de behandeling het spalkje tijdens zware arbeid nog te dragen.

Goed om te weten: het oefenen moet heel secuur uitgevoerd en begeleid worden en de kracht op de pees moet voorzichtig opgebouwd worden, anders kan de vingertop weer gaan hangen. Het is dus belangrijk om de oefenadviezen van uw therapeut strikt te volgen. De totale revalidatie bij een mallet finger duurt over het algemeen drie tot zes maanden.

Malunion radius

Malunion radius
Veel mensen houden polsklachten na een gebroken pols. Dit kan twee redenen hebben:

In ongeveer 40% van alle polsfracturen scheuren ook de bandjes tussen de polsbotten. Wanneer die niet (goed) herstellen geeft dat pijnklachten en zorgt het voor de slijtage van het polsgewricht.
Wanneer de pols verkeerd vastgroeit, is er sprake van malunion van de radius. Een pols die ingezakt is, achterover of juist extreem naar voren staat, geeft pijnklachten. Ook kan het gewricht tussen de ellepijp en spaakbeen uit de kom schieten of maar een beperkte beweeglijkheid hebben. U kunt dan bijvoorbeeld moeilijk wisselgeld aannemen omdat de hand niet open gedraaid kan worden. Een ingezakte pols kenmerkt zich door een naar boven uitstekende ellepijp en pijn aan de buitenzijde van de pols.
Bij bandletsel is soms een reconstructie van de banden tussen de polsbotten nodig (Brunelli plastiek), of moeten één of meerdere polsbotjes worden vastgezet (polsarthrodese).

Malunion kan worden gecorrigeerd door een correctie-osteotomie van de pols. Dit betekent het opnieuw doorzagen en goed zetten van de pols, vaak in combinatie met transplantatie van bot uit de bekkenkam.

Handtherapie

Na een Brunelli plastiek
U krijgt een gips dat vier weken om uw pols moet blijven zitten. Daarna krijgt u een spalk en kunt u beginnen met de eerste oefeningen. Onder begeleiding van de kinesitherapeut werkt u aan het lenig en sterk krijgen van uw pols en worden de littekens behandeld. Meestal blijft er maar een kleine bewegingsbeperking van de pols over en lukt het om tenminste 70% van de oorspronkelijke knijpkracht terug te krijgen. De revalidatie duurt gemiddeld drie tot zes maanden.

Na een gedeeltelijke polsarthrodese
Na een gedeeltelijke polsarthrodese kunt u de pols niet meer volledig bewegen. Het is dus belangrijk dat u uw vingers optimaal kunt buigen en strekken om toch normaal te kunnen functioneren. Daarom wordt al snel gestart met oefenen onder leiding van de kinesitherapeut. Na ongeveer acht weken zijn de botten over het algemeen goed aan elkaar gegroeid en kan begonnen worden met het verbeteren van de beweeglijkheid en de kracht.

Over het algemeen verliest u bij een gedeeltelijke arthrodese van de pols ongeveer 50% van de normale beweeglijkheid en lukt het om 70% van de oorspronkelijke knijpkracht terug te krijgen. Omdat het niet meer volledig kunnen bewegen van de pols blijvende gevolgen heeft voor de handfunctie, oefent u ook met de therapeut uw dagelijkse functies. De therapeut kan samen met u ook zoeken naar wenselijke aanpassingen.

Na een volledige polsarthrodese
In het geval van een volledige polsarthrodese kunt u de pols niet meer bewegen. Na het vastgroeien van de botten zal de revalidatie in het algemeen verlopen zoals hierboven beschreven.

De revalidatie neemt zes tot twaalf maanden in beslag.

Na een correctie-osteotomie
U krijgt kortdurend gips en/of een afneembare spalk. Na het verwijderen van het gips moet direct geoefend worden onder begeleiding van de handtherapeut. Meestal merkt u meteen al dat u de pols beter kunt bewegen. De revalidatie neemt gemiddeld zes maanden in beslag. Er wordt gewerkt aan het terugwinnen van de beweeglijkheid van de pols en vingers, het voorkomen van verklevingen, het soepel maken van de littekens en het optimaliseren van de kracht van de hand en pols.

Midcarpale Instabiliteit

Midcarpale instabiliteit
Het polsgewricht wordt gevormd door de acht handwortelbeentjes, het spaakbeen en de ellepijp. Deze botten worden op hun plaats gehouden door het kapsel en de ligamenten (banden). De stugheid en lengte van deze banden is per persoon verschillend. Over het algemeen geldt dat vrouwen soepelere banden hebben dan mannen. Vandaar dat instabiliteitsklachten in de pols vaker bij vrouwen voorkomen dan bij mannen.

Midcarpale Instabiliteit (MCI) wordt gekenmerkt door een gebrek aan ondersteuning van de eerste rij handwortelbeentjes. De banden zijn dan zo soepel en lang dat de botten teveel kunnen bewegen en dat de pols ‘instabiel’ wordt. Wanneer men de pols zwaar belast, kan de kracht niet goed over de botten verdeeld worden en kunnen pijnklachten ontstaan. Soms gaat de pijn gepaard met een voelbare klik en krachtsverlies.

Intake
De kinesitherapeut zal de pols onderzoeken om te zien of er inderdaad sprake is van een MCI of dat er wellicht een andere oorzaak is voor de klachten. Wanneer de therapeut het nodig acht, kan er ook een echografie worden gemaakt waarbij de pezen en banden in kaart kunnen worden gebracht.

MCI is een instabiliteit die optreedt tijdens het bewegen (dynamische instabiliteit) en is daarom op röntgen of MRI niet te zien. Wanneer er door de MCI ook sprake is van een ontsteking van het kapsel of een pees, dan is dat op een echografie zichtbaar.

Handtherapie
Eerste keuze voor behandeling is het volgen van een polsprogramma. Door de spieren rond de pols sterker te maken is het mogelijk om de functie van de losse banden voor een deel over te nemen. Daarnaast is het belangrijk om verstandig met de pols om te gaan en zal uw therapeut u hiervoor adviezen geven. Meestal is dit voldoende om de klachten te laten verdwijnen. De banden zullen echter niet verkorten, dus is er een kans dat u de pols toch weer eens zult overbelasten. Het mooie is dat u dan wel precies weet wat u er tegen kunt doen.

Chirurgie
Mocht het polsprogramma onvoldoende resultaat geven, dan kunt u een afspraak bij een plastisch (hand-)chirurg maken. Soms is het mogelijk om het kapsel van de pols chirurgisch te verstevigen waardoor klachten kunnen verminderen.

PIP-gewrichtsprothese

PIP-gewrichtsprothese
Het PIP-gewricht is het scharniergewricht dat zich iets onder het midden van uw vingers bevindt. Vanaf uw vingertop gezien is het PIP-gewricht het tweede gewricht; het zijn de knokkels waarmee u op een deur klopt. Het PIP-gewricht kan slijten of beschadigen door artrose (ouderdomsslijtage), posttraumatische artritis (slijtage als gevolg van letsel waarbij kraakbeen niet goed genezen is), reumatoïde artritis (een ziekte die het kraakbeen beschadigt) of door een ongeval. Wanneer één of meerdere PIP-gewrichten niet meer functioneren, kunnen ze vervangen worden door een prothese.

Handtherapie
Voor een goed herstel is het belangrijk dat u al enkele dagen na de ingreep start met handtherapie.

Polsprogramma

Polsprogramma
Bij Handencentrum Turnhout zien we veel mensen met (chronisch) onbegrepen polsklachten. Sommigen hebben KANS klachten (voorheen RSI), veroorzaakt door overbelasting van de arm. Vaak kan hiervoor geen aanwijsbare pathologie worden gevonden. Ook kan er sprake zijn van midcarpale instabiliteit (MCI) door verslapping van banden die over de pols lopen. Anderen hebben een operatie ondergaan of een gipsperiode doorgebracht en moeten weer trainen om hun pols sterker en opnieuw belastbaar te maken. Al deze mensen kunnen in aanmerking komen voor ons polsprogramma.

Intake
Tijdens de intake en het onderzoek wordt bekeken of de oorzaak van de polspijn achterhaald kan worden. In dat geval wordt u eerst volgens de vastgestelde protocollen behandeld.

Indien wordt besloten te starten met het oefenprogramma, besteden we een volledige behandeling aan de uitleg over de neutrale houding van de pols (welke stand en waarom die stand) en het polsprogramma. We leggen u uit wat een waarschijnlijke reden is geweest voor het ontwikkelen van uw klachten, hoe deze klachten in stand worden gehouden en wat u zelf kunt doen om de klachten te laten afnemen. Als u eenmaal precies weet waarom het belangrijk is dat u de voorgeschreven oefeningen moet uitvoeren, zal het u namelijk minder moeite kosten om gemotiveerd te blijven.

Metingen
Tijdens de eerstvolgende sessie worden verschillende metingen verricht om een beginsituatie te kunnen vastleggen en in het verloop van het programma uw vorderingen te kunnen beoordelen.

Individuele behandelingen
In de volgende weken worden twee individuele behandelingen per week gepland, waarin verschillende oefeningen worden uitgelegd en geoefend. Hoofddoel is om uw pols gestabiliseerd te kunnen houden, maar ook om de kracht te verbeteren. In deze fase oefent u met behulp van losse gewichten of een dynaband. Het is de bedoeling dat u ook thuis veel oefent. Afhankelijk van uw houdings- en bewegingsgevoel zal deze periode twee tot vier weken in beslag nemen. Wanneer u in staat bent uw pols statisch te stabiliseren in de neutrale polspositie, stroomt u door naar de polsgroep.

Polsgroep
In de polsgroep oefent u in de (groeps-) therapieruimte onder begeleiding van de kinesitherapeut met name ‘losse oefeningen’. Dit is een zeer belangrijk onderdeel van de therapie! U gebruikt hierbij oefenmaterialen zoals een stok, flexbar en ballen van verschillende groottes en gewichten. Hiermee kunt u verstoringen van de stabiele positie van de pols oefenen en functionele handelingen nabootsen. Afhankelijk van de klacht traint u met name op stabilisatie, kracht, mobiliteit, coördinatie of uithoudingsvermogen.

In de polsgroep wordt onderscheid gemaakt tussen patiënten met a-specifieke klachten en specifieke klachten. Heeft u last van a-specifieke polspijn, dan wordt de belasting opgebouwd volgens een van tevoren vastgesteld schema. De eerste zes weken komt u twee keer per week, de volgende zes weken komt u een keer per week en aansluitend vindt de eindevaluatie plaats.

Heeft u specifieke polsklachten, dan kan de duur van het polsprogramma enigszins afwijken van bovengenoemd gemiddelde. Het schema wordt afgestemd op de onderliggende pathologie. Bij sommige patiënten zal naast het polsprogramma ook nog individueel worden afgesproken, bijvoorbeeld om de pols te mobiliseren.

In de laatste fase, waarin u minder vaak voor therapie naar het Handencentrum komt, oefent u de stabiliserende oefeningen en krachtoefeningen hoofdzakelijk thuis. Het is heel belangrijk dat u met vaste regelmaat oefent en niet afhankelijk van de pijn wel of niet oefent. Voor het trainen van spierkracht zou u misschien kunnen volstaan met twee tot drie keer trainen per week, maar voor het inslijpen van een nieuwe houding of beweging moet u meerdere keren op een dag oefenen!

Onze kinesitherapeuten kunnen u aangeven hoe u zelf de trainingsintensiteit kunt instellen en opbouwen. Een goed resultaat valt of staat met adequaat oefenen.

Pronator syndroom

Pronator syndroom
De pronator teres is één van de armspieren die ervoor zorgt dat u uw handpalm naar binnen kunt draaien (bijvoorbeeld wanneer u schroeven uitdraait). De mediale zenuw (Nervus medianus) loopt door of langs deze pronator teres. Wanneer de zenuw beklemd komt te zitten door extra druk van de spier, ontstaat het pronator syndroom. U heeft dan pijn aan de palmzijde van de onderarm, een verminderd gevoel in de arm en in het gebied van de duimmuis. U kunt ook verminderd gevoel hebben in de duim, de wijsvinger, de middelvinger en de ringvinger. Verder zien we vaak een krachtsvermindering van de duim. De klachten nemen toe bij activiteit en worden minder met rust. Het pronator syndroom komt niet zo vaak voor, maar wordt toch regelmatig gezien bij mensen die zwaar lichamelijk werk doen en daarbij veelvuldig kracht moeten zetten met de onderarmspieren, zoals automonteurs en timmerlieden.

De behandeling bestaat in eerste instantie uit rust, een spalk, ontstekingsremmers en handtherapie. Indien er na drie tot zes maanden geen verbetering optreedt, kan een operatie overwogen worden om de beklemde zenuw weer ruimte te geven.

Handtherapie
Er zal een spalk aanmeten worden die uw arm rust geeft. De kinesitherapeut kan met massage de spier proberen te ontspannen (detoniseren) en met rektechnieken (stretchen) de druk op de zenuw doen verminderen waardoor uw klachten (langzaam) kunnen afnemen. Als dat onvoldoende resultaat heeft, kan een operatie noodzakelijk zijn.

Wordt u geopereerd, dan draagt u de eerste een of twee dagen daarna een mitella. Het is belangrijk dat u de vingers, de pols en de elleboog gedurende deze periode regelmatig beweegt (strekken en buigen), om te voorkomen dat uw hand stijf wordt en de zenuw in het littekengebied vastgroeit (verkleeft). De handtherapeut vertelt u hoe u dat moet doen en helpt u daarbij.

Na drie dagen kunt u de hand en arm weer voorzichtig in toenemende mate onbelast gebruiken. In principe mag u de hand en arm na twee weken weer normaal gebruiken. De handtherapeut begeleidt u verder, behandelt het litteken en oefent met u om de beweeglijkheid en kracht weer terug te krijgen.

Proximale Rij Carpectomie

Proximale Rij Carpectomie
De pols wordt gevormd door acht handwortelbeentjes, die in twee rijen zijn gegroepeerd. De handwortelbeentjes zijn onderling verbonden door middel van gewrichtsbanden. Door een val of een ander ongeluk kunnen deze banden verrekken of zelfs afscheuren. Ook kan een van de handwortelbeentjes breken. De botjes liggen dan niet meer mooi naast elkaar. Er kan een te grote ruimte tussen twee botjes ontstaan en op den duur kan dit slijtage in de pols veroorzaken (ook wel artrose genoemd).

Ook door een verminderde doorbloeding van één van de botjes, het maanvormig beentje, kan de samenhang in de pols worden verstoord (ziekte van Kienböck).

Slijtage in de pols geeft pijnklachten, zwelling en een verminderde beweeglijkheid. Deze klachten kunnen u in uw dagelijks leven, bijvoorbeeld tijdens uw werk, beperken. Om de klachten te verhelpen kan gekozen worden voor een proximale rij carpectomie (PRC). Bij deze operatie wordt de eerste rij handwortelbeentjes verwijderd. Het lijkt misschien vreemd dat deze operatie mogelijk is, maar uit onderzoek blijkt dat na de operatie de kracht in de hand gemiddeld weer 70% ten opzichte van de andere pols wordt en dat de beweeglijkheid gemiddeld weer 50% ten opzichte van de andere, gezonde, kant kan worden.

Handtherapie
Voor de operatie wordt de beweeglijkheid en kracht van uw pols gemeten, zodat we na de operatie goed weten waar we tijdens de revalidatie extra aandacht aan moeten schenken.

Na een proximale rij carpectomie volgt een intensief traject van handtherapie.

Na de operatie zit uw pols in een gipsverband. U moet meteen beginnen met het bewegen van uw vingers. Het vocht (oedeem) dat na de operatie in de hand zit, wordt daardoor sneller afgevoerd. Bovendien zorgt dat voor voldoende beweging van pezen door het operatiegebied.

Na een week wordt het gips verwijderd en wordt er een ondersteunende spalk aangemeten. Deze spalk loopt door tot aan de onderarm. De vingers en de duim worden vrijgelaten om goed te kunnen oefenen.
De eerste zes weken draagt u de spalk continu, behalve tijdens het oefenen. Daarna wordt het dragen van de spalk afgebouwd en draagt u de spalk alleen nog bij activiteiten waarbij kracht nodig is. Dit houdt bijvoorbeeld in dat u de eerste zes tot acht weken, ook in verband met de verzekering, nog niet mag autorijden.

Vanaf het moment dat de spalk is gemaakt, gaat de kinesitherapeut samen met u oefeningen voor uw pols en vingers doen. Onder begeleiding van de kinesitherapeut werkt u aan het lenig en sterk krijgen van uw pols en worden de littekens behandeld. Zo nodig gebruikt de kinesitherapeut mobiliserende handgrepen om de beweeglijkheid te verbeteren. Er worden oefeningen gedaan om de kracht in uw pols en hand te vergroten. We gebruiken hiervoor een opbouwend spierversterkend en stabiliserend polsprogramma. Er wordt in het eerste stadium gebruikt gemaakt van bijvoorbeeld Theraputty, een elastisch kneedmateriaal, en gewichten van verschillende zwaarte. In een later stadium doen we krachttraining voor de gehele arm, waarbij ook fitnessapparatuur wordt ingezet.

De gehele revalidatie neemt gemiddeld drie tot zes maanden in beslag, gerekend vanaf de operatie. Na drie maanden is de pols meestal weer zo hersteld dat u uw werkzaamheden kunt hervatten. Dit hangt uiteraard ook af van het werk dat u doet.

De metingen die voor de operatie gedaan zijn, worden herhaald in het begin, halverwege en op het eind van de therapie. Op deze manier krijgen we een goede indruk van uw herstel.

Radial Tunnel Syndroom

Radial Tunnel Syndroom
Bij het Radial Tunnel Syndroom, ook wel posterior interosseous syndroom of PIN-syndroom genoemd, zit de radiale onderarmszenuw aan de strekzijde van de onderarm (nervus radialis) beklemd. Dit geeft vage pijnklachten aan de bovenzijde van de onderarm. Er is ook sprake van krachtsverlies. De klachten nemen toe bij activiteiten. Vaak is er een verhoogde spierspanning in de spieren net onder elleboog. Normaal gesproken zijn er geen tintelingen voelbaar, maar wanneer de beklemming hoger gelegen is, zijn er meestal wel tintelingen op de bovenkant van de hand.

De klachten verdwijnen meestal met rust, fysiotherapie, houdingsaanpassingen en ergotherapie. Er kan ook geopereerd worden, maar een chirurgische behandeling heeft een wisselend succes.

Handtherapie
Ert kan een spalk aanmeten worden die uw arm rust geeft. De kinesitherapeut kan met massage de spier proberen te ontspannen (detoniseren) en met rektechnieken (stretchen) de druk op de zenuw verminderen waardoor uw klachten (langzaam) kunnen afnemen. Als dat onvoldoende resultaat heeft, kan een operatie noodzakelijk zijn.

Wordt u geopereerd, dan draagt u de eerste een tot twee dagen erna een mitella. Het is belangrijk dat u de vingers, de pols en de elleboog gedurende deze periode regelmatig strekt en buigt, om te voorkomen dat uw hand stijf wordt en de zenuw in het littekengebied vastgroeit. De handtherapeut vertelt u hoe u dat moet doen en helpt u daarbij.

Na drie dagen kunt u de hand en arm weer voorzichtig in toenemende mate onbelast gebruiken. In principe mag u de hand en arm na twee weken weer normaal gebruiken. De handtherapeut begeleidt u verder, behandelt het litteken en oefent met u om de beweeglijkheid en kracht weer terug te krijgen.

Reuma

Reuma
Reuma is een ziekte die gewrichten en pezen aantast. Die aantasting varieert enorm tussen patiënten en ook zijn niet alle gewrichten en pezen even ernstig aangedaan. Momenteel is behandeling met medicijnen het belangrijkste om schade aan pezen en gewrichten zoveel mogelijk te voorkomen. Verder kunnen gewrichten en pezen worden schoongemaakt om de levensduur ervan te verlengen. Eventueel kunnen gewrichten worden vervangen of vastgezet.

Voor het inventariseren, het behandelen, het nabehandelen en het begeleiden van patiënten met reuma is het absoluut essentieel dat alle behandelaars (reumatoloog, handchirurg en handtherapeut) nauw samenwerken.

Handtherapie
Bij reuma is het essentieel dat goed wordt geëvalueerd welke beperkingen u heeft en welke functies met name belangrijk zijn in uw dagelijks leven. Dit wordt uitgebreid onderzocht door de kinesitherapeut. Hierna kunnen wij samen met u bepalen hoe wij u het beste kunnen helpen.

Wordt u geopereerd, dan is het goed om te weten dat het herstel meestal trager verloopt dan gemiddeld, doordat de genezing en de afweer verminderd zijn. Er volgt daarom altijd een intensieve begeleiding door onze handtherapeuten. Zij zorgen ervoor dat gewrichten zo soepel mogelijk blijven en pezen zo goed mogelijk blijven glijden. Daarnaast maken zij allerlei spalken om de functie zo goed mogelijk te ondersteunen.

Revalidatie zenuwletsel

Revalidatie zenuwletsel
Nadat een zenuw gehecht of getransplanteerd is, werkt u onder begeleiding van de handtherapeut aan een zo goed mogelijk herstel. Het herstel is helaas wisselend en na het vijftiende levensjaar nemen de resultaten snel af. Dat komt voornamelijk omdat onze hersenen zich steeds minder goed kunnen aanpassen aan de informatie die binnenkomt. Bij een gehechte zenuw komt het signaal namelijk volledig verward aan bij de hersenen.

Het duurt zeer lang voor het uiteindelijke resultaat van zenuwherstel beoordeeld kan worden. De zenuw moet helemaal uitgroeien vanaf de plek waar deze hersteld is naar het doelorgaan (vingertop, huid of spier). Afhankelijk van de afstand kan dit een half jaar tot een jaar duren. Voor een zo goed mogelijk herstel is intensieve handtherapie heel belangrijk.

SL laesie

SL laesie
Tussen twee botjes van de pols, het maanvormig bot (lunatum) en het scheepsvormig bot (scaphoid), bevindt zich een belangrijke stabiliserende band voor de pols. Deze band wordt het scapholunaire ligament (SL) genoemd. Wanneer deze verbinding scheurt, spreken we van een SL laesie. De polsbotjes gaan hierdoor abnormaal bewegen. Het scheepsvormig botje kantelt naar voren en het maanvormig botje kantelt achterover. De twee botjes bewegen ook uit elkaar. Deze abnormale beweging zorgt voor versnelde slijtage van de pols, die binnen enkele jaren kan optreden. Het is dus belangrijk om snel de juiste diagnose te stellen en de gescheurde band snel te repareren of te reconstrueren.

Als direct na de val blijkt dat de band is gescheurd, kan deze soms nog direct gehecht worden. Al na enkele weken is het meestal niet mogelijk om de band nog aan elkaar te hechten. Dan kan alleen een reconstructie plaatsvinden met behulp van een buigpees van de pols (Brunelli plastiek).

Wanneer het gewrichtskraakbeen is beschadigd, kan de eerste rij handwortelbeentjes worden verwijderd (proximale rij carpectomie) of de pols geheel of gedeeltelijk worden vastgezet (polsarthrodese).

SNAC/SLAC

SNAC/SLAC
SNAC (Scaphoid Nonunion Advanced Collaps) en SLAC (Scapholunate Advanced Collaps) zijn twee aandoeningen die zorgen voor slijtage aan de duimzijde van de pols. Zo’n slijtage geeft pijnklachten in de pols en staat goed functioneren in de weg. Bij SLAC wordt de slijtage veroorzaakt door een gescheurde band die nooit is hersteld, waardoor verschillende handbotjes abnormaal zijn gaan bewegen (SL laesie). Bij SNAC is een langdurig bestaande breuk in het scheepsvormig botje de oorzaak van de klachten (scaphoid).

Voor een SNAC/SLAC pols zijn er verschillende behandelmogelijkheden. De pols kan gedeeltelijk worden vastgezet door vier botjes van de handwortel te verbinden met behulp van een ronde plaat, titanium nietjes of pennen, zodat deze botjes aan elkaar groeien (LCTH-fusie). Ook kan de eerste rij handwortelbeentjes worden verwijderd (proximale rij carpectomie), de pols kan geheel worden vastgezet (polsarthrodese) of het polsgewricht kan worden vervangen (polsprothese).

Skiduim

Skiduim
De skiduim (ook wel gamekeeper’s thumb of jachtopzienerduim genoemd) is een veel voorkomende aandoening. Bij een skiduim scheurt, verrekt of verslapt de gewrichtsband die aan de binnenzijde van de duim ligt. Deze gewrichtsband zorgt samen met andere gewrichtsbanden voor de stevigheid van het middelste gewricht van de duim. Wanneer de gewrichtsband beschadigd is, kan het gewricht instabiel worden. Ongeveer 10% van alle ski-ongelukken bestaat uit dit letsel, vandaar de naam.

Een skiduim kan behandeld worden met een (gips)spalk voor uw hand en duimbasis, waarbij het middelste duimgewricht iets naar binnen gebogen is om spanning op de gewrichtsband te voorkomen. Het bovenste duimgewricht wordt vrijgelaten. U draagt deze spalk gedurende drie tot vier weken. Bij een zeer mild letsel kan het gewricht ook worden ingetaped.

Wanneer de gewrichtsband volledig is gescheurd of wanneer er losse botfragmenten zijn, moet u worden geopereerd. De losgescheurde band wordt dan opnieuw vastgezet aan het bot. Daarna krijgt u een gipsspalk om uw duim die ongeveer vier weken moet blijven zitten.

Handtherapie
Nadat het gips is verwijderd, start u met handtherapie.

Er zal een beschermende afneembare spalk aanmeten worden, die u nog tot drie maanden draagt.

De kinesitherapeut helpt u bij het weer soepel en sterk maken van uw duim. Na een operatie is het belangrijk om te voorkomen dat pezen die in het operatiegebied lopen gaan verkleven. Daarom moet u specifieke oefeningen doen en behandelt de kinesitherapeut het litteken. De revalidatie duurt gemiddeld drie maanden.

TFCC

TFCC
TFCC is de afkorting van Triangulare Fibrocartilogeen Complex, een soort meniscus met stabiliserende banden aan de buitenzijde van de pols. De banden van het TFCC verbinden de ellepijp met het spaakbeen en de pols. Het TFCC vangt schokken op en geeft de pols stabiliteit. Een scheur in de TFCC kan pijnklachten geven aan de pinkzijde van de onderarm en pols. Een typische klacht is pijn bij het opdrukken uit een stoel.

Tijdens een kijkoperatie kan de diagnose gesteld worden, kunnen kleine afgebroken deeltjes van het TFCC verwijderd worden, of kan het TFCC gehecht worden. De banden van het TFCC kunnen ook gereconstrueerd worden (Adams Procedure). Kan een beschadigde TFCC niet worden hersteld tijdens een kijkoperatie, dan volgt een gewone operatie.

Handtherapie
Hoe de revalidatie verloopt, is afhankelijk van de operatieve ingreep die u ondergaat.

Gaat het alleen om het verwijderen van beschadigde delen van het TFCC, dan mag u direct na de operatie de pols bewegen en relatief snel uw kracht weer opbouwen. De totale revalidatieperiode bedraagt dan ongeveer drie maanden.

Is het TFCC gehecht, opnieuw vastgezet of zijn de banden gereconstrueerd, dan duurt de nabehandeling veel langer. Na de ingreep krijgt u vier weken een bovenarmsgips, daarna nog twee weken een onderarmsgips. Daarna wordt gestart met intensieve handtherapie. Na het verwijderen van het gips maakt de ergotherapeut een afneembare spalk voor u. U gaat onder leiding van de kinesitherapeut werken aan het geleidelijk verbeteren van de beweeglijkheid en de kracht. Vooral het herstellen van de draaifunctie van de onderarm neemt veel tijd in beslag. Al met al duurt de revalidatie zes tot twaalf maanden.

Trapezium excisie

Trapezium excisie
Het duimbasisgewricht wordt gevormd door het eerste middenhandsbotje en een botje van de handwortel, het trapeziumbotje. Het duimbasisgewricht is niet erg stabiel. Als de banden die de botjes verbinden wat slapper worden, past het gewricht niet meer mooi en kan slijtage optreden.

Bij een trapezium excisie wordt het trapeziumbotje verwijderd. Met behulp van een stuk van de buigpees van de pols wordt een nieuwe, stabiele ophanging van de duimbasis gemaakt.

Handtherapie
Na de operatie zitten uw duim en uw onderarm in het gips. Dit gips blijft twee tot drie weken zitten. De vingers en het topje van de duim zitten niet in het gips, deze kunt u gewoon bewegen. Het vocht (oedeem) dat na de operatie in de hand zit, wordt daardoor sneller afgevoerd. Bovendien zorgt dat voor voldoende beweging van pezen door het operatiegebied.

Na twee tot drie weken wordt het gips verwijderd en maakt de ergotherapeut een afneembare spalk die uw duim steunt en beschermt. Nadat de spalk gemaakt is, start u onder begeleiding van de kinesitherapeut met oefeningen. U begint met oefeningen die de duimgewrichtjes lenig en soepel maken. Na zes tot acht weken gaat u ook oefeningen doen die uw duim en hand sterker maken.

De spalk draagt u tot acht weken na de operatie, behalve tijdens het oefenen.
In deze periode is autorijden, om verzekeringstechnische redenen, niet toegestaan.

Na deze acht weken wordt het dragen van de spalk afgebouwd en u draagt de spalk dan alleen nog wanneer u met de hand zwaardere dingen doet. Het zwaar belasten van uw hand, bijvoorbeeld tijdens sportactiviteiten, mag u niet eerder doen dan na drie tot vier maanden na de operatie.

Na de operatie valt het resultaat in eerste instantie meestal tegen. Het kost veel tijd om weer op het oude niveau terug te komen en uiteindelijk beter dan voor de operatie te worden. Over het algemeen duurt dit ongeveer drie tot zes maanden na een trapezium excisie. Ook de begeleiding door de handtherapeut neemt ongeveer drie tot zes maanden in beslag, afhankelijk van de vorderingen. De kracht neemt vervolgens nog meetbaar toe over een periode van vijf jaar na de operatie.

Triggerfinger of triggerduim

Triggerfinger of triggerduim
De triggerfinger, ook wel tenosynovitis stenosans of hokkende vinger genoemd, is een aandoening die veel voorkomt. U heeft een triggerfinger als de vinger alleen met moeite gebogen en/of gestrekt kan worden. Vaak gaat dat gepaard met een schokje of knapje. Soms zit er een pijnlijke verdikking in de handpalm of aan de duimbasis.

In het eerste stadium, waarbij de vinger of duim nog maar heel licht blijft haken, helpt een specifiek spalkje, aangevuld met ultrageluidbehandeling en specifieke oefeningen soms om de ontsteking te laten afnemen en de functie te herstellen. Bij een vinger of duim die een duidelijke knap vertoont tijdens buigen en strekken kan een ontstekingsremmende injectie u binnen enkele dagen tot weken van de klachten afhelpen. Lukt dat niet, dan kan het bandje van de peesschede operatief doorgesneden worden.

Handtherapie
Na een ingreep krijgt u een verband dat u na drie dagen mag verwijderen. In de tussentijd kunt u de hand gebruiken voor zover het gaat. Zo snel mogelijk in de eerste week na de operatie krijgt u van de kinesitherapeut oefeninstructies om de buigpezen door het operatiegebied te laten bewegen. Zo proberen we verklevingen zoveel mogelijk te voorkomen. Als de hechtingen zijn verwijderd, wordt begonnen met littekenmassage. Bij een ongecompliceerd verloop duurt de behandeling gemiddeld vier tot zes weken. In sommige gevallen wordt alleen voor handtherapie verwezen als op de eerste controle bij de chirurg (over het algemeen na ongeveer twee weken) blijkt dat uw hand zich niet goed herstelt.

Ulnaverkorting

Ulnaverkorting
Soms is de ellepijp (ulna) relatief te lang ten opzichte van het spaakbeen. Dit kan aangeboren zijn of ontstaan door een breuk van het spaakbeen (radius) waardoor deze inzakt (malunion radius). Dit kan pijnklachten geven aan de pinkkant van de pols, vooral wanneer de hand naar de pinkkant bewogen wordt.

Indien de ellepijp te lang is, kan deze operatief verkort worden. Deze operatie kan ook verricht worden als er sprake is van een probleem van de meniscus in de pols (TFCC).

Handtherapie
Voor de operatie wordt de beweeglijkheid en kracht van uw pols gemeten, zodat we na de operatie goed weten waar we tijdens de revalidatie extra aandacht aan moeten schenken.

Na een ulnaverkorting volgt een intensief traject van handtherapie.

Na de operatie zit uw arm inclusief uw elleboog in een gipsverband. U moet meteen beginnen met het bewegen van uw vingers. Het vocht (oedeem) dat na de operatie in de hand zit, wordt daardoor sneller afgevoerd. Bovendien zorgt dat voor voldoende beweging van pezen door het operatiegebied.

Na twee weken krijgt u een nieuw gips: de eerste twee weken is dat een bovenarmgips en daarna nog twee weken een onderarmgips. Na de gipsperiode krijgt u intensieve handtherapie en wordt er een ondersteunende spalk aangemeten. De vingers en de duim worden vrijgelaten.

De eerste vier weken draagt u deze spalk continu, behalve tijdens het oefenen. Daarna wordt het dragen van de spalk afgebouwd en draagt u hem alleen nog bij activiteiten waarbij kracht nodig is. Dit houdt bijvoorbeeld in dat u de eerste zes tot acht weken, ook in verband met de verzekering, niet mag autorijden.

Vanaf het moment dat de spalk is gemaakt, wordt onder leiding van de kinesitherapeut gestart met oefenen. In eerste instantie krijgt u oefeningen voor uw pols en vingers. In het begin zijn de oefeningen erop gericht om uw arm en hand voorzichtig opnieuw beweeglijk te maken. Na ongeveer zes weken zijn de botten over het algemeen goed aan elkaar gegroeid en kan begonnen worden met het intensief oefenen van de beweeglijkheid en van de kracht. Zo nodig gebruikt de kinesitherapeut mobiliserende handgrepen om de beweeglijkheid te verbeteren. Er worden oefeningen gedaan om de kracht in uw pols en hand te vergroten. We gebruiken hiervoor een opbouwend spierversterkend en stabiliserend polsprogramma. Er wordt in het eerste stadium gebruikt gemaakt van bijvoorbeeld Theraputty, een elastisch kneedmateriaal, en gewichten van verschillende zwaarte. In een later stadium doen we krachttraining voor de gehele arm waarbij ook fitnessapparatuur wordt ingezet.

De gehele revalidatie neemt gemiddeld drie tot zes maanden in beslag, gerekend vanaf de operatie. Na drie maanden is de pols meestal weer zo hersteld dat u uw werkzaamheden kunt hervatten. Dit hangt uiteraard ook af van het werk dat u doet.

De metingen die voor de operatie gedaan zijn, worden herhaald in het begin, halverwege en op het eind van de therapie. Op deze manier krijgen we een goede indruk van uw herstel.

Vastzetten kleine handgewrichten

Vastzetten kleine handgewrichten
Wanneer u behandeld wordt voor een probleem aan uw hand, is het belangrijk dat de functie zo goed mogelijk hersteld of behouden wordt. In de eerste plaats moet u uw hand kunnen gebruiken zonder pijn, maar u moet er ook weer zoveel mogelijk mee kunnen doen. Daarom is het belangrijk dat uw hand zo stabiel mogelijk is en dat alle gewrichten zo optimaal mogelijk kunnen bewegen.

Het plaatsen van prothesen is hiervoor een prima methode. Maar soms is dat niet goed mogelijk of is het voor de functie beter om een bepaald gewricht vast te zetten.

Handtherapie
Wanneer het vastzetten van een klein gewricht overwogen wordt, kan de handtherapeut een spalkje maken waarmee het lijkt of het gewricht vast zit. Zo kunnen we bekijken in hoeverre u dan beperkt wordt in uw dagelijkse activiteiten en kunt u alvast aan de nieuwe situatie wennen.

Voor de operatie wordt de beweeglijkheid en kracht van uw hand gemeten, zodat we na de operatie goed weten waar we tijdens de revalidatie extra aandacht aan moeten schenken.

Na het vastzetten van kleine handgewrichten volgt een intensief traject van handtherapie.

Wordt er uiteindelijk een gewrichtje vastgezet, dan krijgt u na de operatie een drukverband en soms gips ter ondersteuning. Afhankelijk van welk gewricht geopereerd is, wordt de duur van de gipsperiode vastgesteld.

Het drukverband mag na drie dagen verwijderd worden. U mag de vinger of duim wel oefenen, maar niet belasten. Onze handtherapeuten gaan snel met u aan de slag om de functie van de vinger of duim zo goed mogelijk te krijgen. Meestal krijgt u een beschermende spalk.

De eerste weken van uw revalidatie staan in het teken van het beweeglijk houden of maken van aangrenzende gewrichten. Bovendien wordt het litteken soepel gemaakt. Na ongeveer zes weken zijn de botten over het algemeen goed aan elkaar gegroeid en kunt u samen met de kinesitherapeut beginnen met het verbeteren van de kracht en functie. De spalk mag geleidelijk aan afgebouwd worden.

Omdat het niet meer kunnen bewegen van een deel van de vinger of duim blijvende gevolgen heeft voor de handfunctie, oefent u met de therapeut uw dagelijkse bezigheden. Ook kan de therapeut samen met u zoeken naar eventuele aanpassingen.

Vinger uit de kom

Vinger uit de kom
Het PIP-gewricht, dat ligt tussen het tweede en derde vingerkootje, kan uit de kom schieten. We noemen dat een PIP-luxatie. Hierbij overrekt of scheurt het onderste deel van het gewrichtskapsel (volaire plaat) en/of de banden aan de zijkant van het gewricht. In eerste instantie is de vinger pijnlijk en treedt er zwelling op rondom het PIP-gewricht. Als de kootjes compleet naast elkaar staan, ziet de vinger er vervormd uit.

Indien de gewrichtsbanden of de volaire plaat zijn verstuikt of gedeeltelijk zijn afgescheurd, kan de vinger worden gespalkt met zogenaamde ‘buddy tape’. De verwonde vinger wordt dan vastgetaped aan een goede vinger. Daardoor beweegt de verwonde vinger mee met de handbewegingen. Tijdens de periode met buddy tape moet de gewrichtsband herstellen (de uiteinden zullen naar elkaar toegroeien).

Wanneer de volaire plaat en/of de banden volledig zijn afgescheurd, krijgt u een spalk die ervoor zorgt dat uw de vinger niet helemaal kunt strekken maar wel kunt buigen. Deze ‘extensie blokkerende spalk’ moet u gedurende drie tot vier weken dragen. In deze periode moeten dan de volaire plaat en/of de banden aan elkaar groeien.

Wanneer de gewrichtsbanden en/of de volaire plaat ernstig beschadigd zijn of wanneer de niet-chirurgische therapie niet effectief blijkt te zijn, wordt u geopereerd. Kijk voor meer informatie over behandelingen en de bijbehorende handtherapie bij skiduim en volairplaat reïnsertie.

Handtherapie
Wanneer er buddy tape is aangebracht, wordt er snel begonnen met handtherapie. Hoe sneller het gewricht weer wordt geoefend, des te kleiner de kans is dat het gewricht op lange termijn stijf wordt.

Ook met een extensie blokkerende spalk kunt u snel met oefenen beginnen. De spalk houdt uw vinger daarbij in een stabiele positie. Vervolgens wordt geleidelijk aan de normale beweeglijkheid zoveel mogelijk hersteld. De kinesitherapeut helpt u om het gewricht weer mobiel te maken en u doet zelf frequent oefeningen. In een later stadium wordt ook de kracht weer geoefend en opgebouwd. Soms blijft er een kleine bewegingsbeperking van de vinger over. De revalidatie is intensief en duurt gemiddeld drie tot zes maanden.

Volairplaat reïnsertie

Volairplaat reïnsertie
De volaire plaat is een kapsel van stevig bindweefsel dat zich aan de palmzijde van de hand- en vingergewrichten bevindt. Wanneer u iets vast wilt pakken tussen uw vinger en uw duim (sleutelgreep of pincetgreep) komt er een forse belasting op de volaire plaat. Als deze plaat eerder gescheurd of verzwikt is bij een val, kan het gewricht instabiel worden. U kunt de vingers of duim dan te ver achteroverbuigen, wat pijnklachten kan geven. Het kan ook lastig zijn, omdat sommige mensen soms dingen in een reflex laten vallen.

De volaire plaat kan weer op zijn plek gezet worden tijdens een operatie. Na deze reparatie rekt de volaire plaat altijd weer een beetje uit. Dat wil zeggen dat het aanvankelijk iets te strak moet staan. Het is dus normaal dat u uw vinger of duim na de operatie niet helemaal kunt strekken. Na een jaar is de volaire plaat weer wat uitgerekt en kan de duim of vinger meestal voldoende gestrekt worden.

Handtherapie
Voor de operatie wordt de beweeglijkheid en kracht van uw hand gemeten, zodat we na de operatie goed weten waar we tijdens de revalidatie extra aandacht aan moeten schenken.

Na een volairplaat reïnsertie volgt een intensief traject van handtherapie.

Om het gewricht weer stevig te laten worden, is een langdurig gips en/of spalkbehandeling nodig. Bij de duim krijgt u drie tot vier weken gips, en soms wordt er ook tijdelijk een metalen pinnetje (K-draad) door het gewricht gebracht. Bij operatie van een vinger krijgt u een extensieblokkerende spalk. Deze spalk moet u in totaal vier tot zes weken dragen. De spalk houdt de strekking voor een deel tegen, maar laat buiging van de geopereerde vinger toe. Dat is ook heel belangrijk want de buigpezen moeten direct na de operatie goed door het littekengebied geoefend worden. De kinesitherapeut zal u daarbij helpen. Door vroeg met oefenen te starten proberen we verklevingen van pezen en stijfheid van het geopereerde gewricht zoveel mogelijk te voorkomen. We beginnen met onbelaste actieve oefentherapie. Belangrijk: de oefeningen moeten zeer consequent worden uitgevoerd en het litteken moet regelmatig gemasseerd worden om verklevingen te voorkomen! Zo nodig gebruikt de kinesitherapeut mobiliserende handgrepen om het gewricht goed beweeglijk te krijgen. Er worden krachtoefeningen gedaan om de hand weer sterk te maken. Langzaamaan leert u uw vinger opnieuw functioneel te gebruiken.

De metingen die voor de operatie gedaan zijn, worden herhaald in het begin, halverwege en op het eind van de therapie. Op deze manier krijgen we een goede indruk van uw herstel.

Zenuwletsel

Zenuwletsel
Zenuwletsel komt veel voor. Kenmerkend is de directe uitval van een zenuw, waardoor u merkt dat u plaatselijk niets meer voelt of uw vingers of hand minder goed kunt bewegen. Toch worden zenuwletsels vaak gemist, omdat alle aandacht op het moment van verwonding uitgaat naar de wond en er onvoldoende aan wordt gedacht of op wordt getest. Bent u gewond en is er sprake van uitval van een zenuw, dan moet u worden geopereerd.

Het herstel na zenuwletsel is wisselend, en na het vijftiende levensjaar nemen de resultaten snel af. Dat komt voornamelijk omdat onze hersenen zich steeds minder goed kunnen aanpassen aan de informatie die binnenkomt. Bij een gehechte zenuw komt het signaal namelijk volledig verward aan bij de hersenen.

Het duurt zeer lang voor het eindresultaat van zenuwherstel beoordeeld kan worden. De zenuw moet helemaal uitgroeien vanaf de plek waar deze hersteld is naar het doelorgaan (vingertop, huid of spier). Afhankelijk van de afstand kan dit een half jaar tot een jaar duren. Voor een zo goed mogelijk herstel is intensieve handtherapie heel belangrijk.

Handtherapie
Nadat een zenuw gehecht of getransplanteerd is, werkt u onder begeleiding van de handtherapeut aan een zo goed mogelijk herstel.

Ziekte van Dupuytren

Ziekte van Dupuytren
De ziekte van Dupuytren (ook wel Morbus Dupuytren of koetsiershand genoemd) is een aandoening die leidt tot kromstand van de vingers. Bij deze ziekte ontstaan door vermeerdering van bindweefsel onder de huid strengen en knobbels. Deze strengen kunnen in de hele handpalm en in alle vingers voorkomen. De strengen kunnen samentrekken waardoor vingers krom gaan staan en niet meer goed zijn te strekken.

De strengen kunnen onder lokale verdoving worden doorgesneden of operatief worden verwijderd.

Handtherapie
De nabehandeling zal in bijna alle gevallen door de handtherapeut worden begeleid. Na de operatie wordt er een (nacht)spalk gemaakt die ervoor zorgt dat de vingers goed gestrekt blijven. De kinesitherapeut oefent samen met u om de vingers en de littekens weer soepel te krijgen, verklevingen te voorkomen en hernieuwde kromstand tegen te gaan. In een later stadium oefent u met de kinesitherapeut om de kracht en vaardigheid van uw hand te optimaliseren.

De spalk moet in de meeste gevallen ’s nachts langdurig, soms tot wel zes maanden na de operatie, gedragen worden om hernieuwde kromstand te voorkomen.

De totale handtherapeutische behandeling varieert gemiddeld van drie tot zes maanden en is vooral in de eerste zes weken intensief.

Ziekte van Kienböck

Ziekte van Kienböck
De ziekte van Kienböck (ook wel Lunatomalacie of Avasculaire necrose van het lunatum genoemd) is een aandoening van het maanvormig bot. Dit bot krijgt problemen met de bloedtoevoer, waardoor het uiteindelijk afsterft en inzakt. Daardoor slijt het polsgewricht.
Er zijn verschillende behandelingen voor de ziekte van Kienböck. Door middel van een bottransplantaat kan de bloedtoevoer naar het maanvormig bot hersteld worden. Ook is het inkorting van het spaakbeen een optie.

Wanneer de ziekte in een gevorderd stadium is, kan de eerste rij handwortelbeentjes worden weggehaald. Dit noemen we proximale rij carpectomie. De pols kan ook worden vastgezet met behulp van een metalen plaat (polsarthrodese) of het polsgewricht kan vervangen worden (totale polsprothese).

error: Content is protected !!